
Bij het drogen van glascoatings is een oneffen droogproces niet alleen een cosmetisch probleem. Het zorgt voor het vasthouden van vocht, wat tot herwerking leidt. Bovendien kan dit ertoe leiden dat de coating niet voldoet aan de vereisten wanneer er thermische spanningen optreden. Voor het drogen van glascoatings moet de infrarode straling krachtig, snel en gelijkmatig op de coating worden toegepast – zonder hete plekken die kunnen leiden tot microbarsten of vervormingen.
Wat technisch belangrijk is We gebruiken korte-golflengtequartz-infraroodemitters om energie snel in de coating te brengen, met minimale overdracht naar het substraat. Hierdoor blijft de temperatuur over het hele oppervlak van het glas constant, waardoor de dikte van de coating consistent blijft. Dit voorkomt ook het probleem van ‘droge randen en natte middelste delen’, dat voorkomt bij ovens waarin vooral convectie wordt gebruikt. De vermogensdichtheid wordt aangepast aan de snelheid van de productielijn en de geometrie van het glas, zodat de temperatuur precies op het gewenste niveau komt. Het systeem is bovendien reproduceerbaar: dankzij een gesloten regelsysteem blijft de temperatuur stabiel, zelfs wanneer de omstandigheden veranderen.
In de glasverwerking zijn tijd en temperatuur cruciaal voor de productie. Infraroodtechnologie zorgt ervoor dat coatings snel drogen, waardoor er minder voorraad nodig is en er meer tijd beschikbaar is voor andere stappen in het proces. Omdat de warmte rechtstreeks in de coating terechtkomt, zijn er minder fouten door oneffen droging en is er minder variatie tussen verschillende batches. Ook het energieverbruik neemt af: infraroodstraling beïnvloedt alleen het benodigde oppervlak, niet de hele kamer. Op productielijnen met hoge capaciteit leidt dit tot stabiele cyclustijden en minder onderbrekingen voor herwerking.
Het nadeel is dat infrarooddroging alleen werkt als er sprake is van een rechte lijn van zicht tussen de emitters en het glas. De geometrie van de emitters en de afstand ertussen moeten dus passen bij de vorm van het glas en de lay-out van de transportbanden. Reflectie van het licht op gepolijste randen kan tot lokale pieken leidden. We Lossen dit op door bescherming te gebruiken en het lichtpatroon te controleren. Toch moet er nog steeds aandacht worden besteed aan deze aspecten tijdens de installatie. De emitters hebben schone stroom nodig en goede koeling – houd rekening met de spanning, het type connector en de thermische ruimtes tussen de emitters. Als je deze details goed regelt, kan het systeem gemakkelijk worden geïntegreerd in bestaande productielijnen, met minimale aanpassingen.